La bibliothèque numérique kurde (BNK)
Retour au resultats
Imprimer cette page

Turkije in crisis


Éditeur : Het Wereldvenster Date & Lieu : 1982, Bussum
Préface : Pages : 258
Traduction : ISBN : 90 293 9828 0
Langue : NéerlandaisFormat : 125x195 mm
Code FIKP : Liv. Dud. Smi. Tur. N°683Thème : Général

Présentation
Table des Matières Introduction Identité PDF
Turkije in crisis

Turkije in crisis

Martin van Bruinessen

Het Wereldvenster

Turkije, dat lid is van de NAVO, lid van de Raad van Europa en geassocieerd met de eg, kende tot 12 september 1980 een parlementaire democratie. Aan die democratie, die in een grote crisis verkeerde, maakte het leger een einde door een geslaagde greep naar de macht te doen. Het maakte daarmee, althans voorlopig, ook een einde aan de politieke kuiperijen en moorden die het land teisterden. Sindsdien wordt er met ijzeren vuist geregeerd.
De aanvankelijke welwillendheid waarmee in Turkije en het Westen de nieuwe machthebbers werden begroet, is omgeslagen in grote bezorgdheid over de toenemende staatsterreur die voor de terreur van de straat ir^ de plaats is gekomen. Steeds meer wordt duidelijk dat de plannen van de huidige machthebbers geen werkelijke oplossing zijn voor de crisis die alle sectoren van de Turkse samenleving heeft aangetast.
In Turkije in crisis analyseren de auteurs, die allen lange tijd onderzoek in Turkije hebben verricht en een tiental jaren de ontwikkelingen in het land kritisch volgen, de belangrijkste aspecten van de moderne Turkse samenleving. Achtereenvolgens komen aan bod: de politieke geschiedenis, de economie, de rol van de vakbeweging, de plaats van het leger in de samenleving en in de NAVO en de rol die de Koerden en de moslims spelen.
Tot besluit bespreken zij de gevolgen van de plannen die de junta heeft met Turkije, de oosteliikste bondgenoot in Europa.


Martin van Bruinessen: natuurkundige en antropoloog. Verbleef lange tijd in Turkije en Koerdistan. Promoveerde op Agha, Shaikh and State: on the social and political organization o f Kurdistan (1978) en schreef diverse bijdragen voor vakbladen. Verricht nu onderzoek in Indonesië.
Rudy Koopmans: studeerde sociologie in Utrecht en promoveerde op The limits of modernization: Turkey (1977). Verrichtte circa een jaar ontwikkelingsonderzoek in Turkije. Is als wetenschappelijk medewerker verbonden aan het Antropologisch Centrum van de Universiteit van Amsterdam. Medewerker (jazz) van de Volkskrant.
Wicher Smit: studeerde sociale wetenschappen. Verrichtte gedurende anderhalf jaar onderzoek in Turkije. Is werkzaam bij somo (Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen). Deed de eindredactie van Turkije in crisis.
Leo van Velzen: studeerde ontwikkelingseconomie. Verrichtte gedurende drie jaar onderzoek in Turkije in het kader van het remplodproject (remigratie Turkse gastarbeiders). Publiceerde onder andere Internationale arbeidsmigratie (Sunschrift 124,1977 samen met Rinus Penninx) en Peripheral Production in Kayseri; Turkey (Ankara 1977). Medewerker van somo .



INLEIDING

Op 12. september 1980 namen de Turkse militairen voor de derde keer sinds de Tweede Wereldoorlog de politieke macht in het land over. Regering en parlement werden naar huis gestuurd, de politieke partijen werden ontbonden. De chef van de generale staf, Kenan Evren, en vijf andere topgeneraals vormden een j unta, die alle macht aan zich trok. Zij motiveerden hun ingreep door te verwijzen naar de binnenlandse onrust. Achter het politieke geweld dat het land teisterde zagen de militairen duistere krachten die er op uit waren het land te destabiliseren en het kemalisme te vervangen door een vreemde ideologie. Zij verweten de politici hiervoor medeverantwoordelijk te zijn omdat zij verwikkeld waren in partijpolitieke twisten terwijl de natie uiteen dreigde te vallen. Het leger pretendeerde met deze machtsovername de nationale eenheid en saamhorigheid te herstellen en een burgeroorlog te voorkomen. Het zou de factoren die het functioneren van de democratie belemmerden uit de weg ruimen en het danig verzwakte staatsgezag herstellen. De militaire coup was er dus, volgens de militairen, op gericht de parlementaire democratie te redden.

De machtsovername door de militairen kwam niet onverwachts. Het politieke geweld was voor september 1980 sterk toegenomen en in brede kring werd niet de vraag gesteld of de militairen de macht zouden overnemen maar wanneer dat zou gebeuren. Velen zagen een militair ingrijpen als de enige mogelijkheid om een einde te maken aan de straatterreur, nog afgezien van het feit dat met name in politiek rechtse kringen een militaire machtsovername uitdrukkelijk gewenst werd. Mede door de perscensuur kwam het accent van de publieke reacties op de coup aanvankelijk te liggen op gevoelens van opluchting en zelfs dankbaarheid. Ook de reacties van de Turkse bondgenoten waren niet afwijzend maar afwachtend; NAVO-kringen reageerden zelfs positief. De officiële buitenlandse verklaringen waren ingegeven door eerdere ervaringen met militaire coups in Turkije en de strategische positie die het land inneemt aan de zuidflank van het Atlantisch bondgenootschap. Het Turkse leger had al eerder, in 1960 en 1971, staatsgrepen uitgevoerd. Beide malen had het vrijwillig de macht weer overgedragen aan een burgerregering. Na het ingrijpen van 1960 hadden de militairen zelfs een grondwet laten aannemen die aanzienlijk liberaler was dan de voorgaande. En de ‘ontsporingen’ van het militaire gezag in de periode 1971 -1973, toen vooral leden van linkse politieke organisaties op grote schaal gearresteerd en zelfs gemarteld werden en waarop destijds vanuit West-Europa scherpe kritiek volgde, waren kennelijk vergeten. Nog lang na iz september 1980 bleef men de militairen het voordeel van de twijfel geven. Pas in de loop van 1981, toen steeds duidelijker werd dat het de Turkse militairen om veel meer ging dan het zo snel mogelijk herstellen van de parlementaire democratie, kwam geleidelijk kritiek vanuit onder andere het Europese Parlement en de Westeuropese vakbonden.

In dit boek proberen we de achtergronden van de militaire machtsovername in Turkije nader te belichten. Daarbij wordt geen genoegen genomen met de verklaringen van de legerleiding als zou de interventie voornamelijk tot doel hebben het terrorisme te bestrijden en de democratie te redden. Vanaf de eerste dag van de coup wezen militaire maatregelen erop dat er ook andere doelwitten waren. Er werd onmiddellijk een stakingsverbod afgekondigd. De lonen werden aan banden gelegd. Eventuele oppositie daartegen werd in de kiem gesmoord door de ontbinding van de grote vakcentrale disk en de arrestatie van het kader van alle bij de disk aangesloten bonden. Geleidelijk werd de repressie opgevoerd. Het ging duidelijk niet alleen om de opsporing en arrestatie van plegers van gewelddaden, maar ook om het onschadelijk maken van elke potentiële oppositie. Opvallend is dat de repressie vooral gericht is op organisaties en personen die om welke reden dan ook door de militairen als politiek links worden gezien.

Op breed terrein voeren de militairen een herstructurering van de Turkse samenleving door. Burgemeesters werden uit hun ambt gezet en vervangen door militairen. De uni versiteiten werden onder gezag van de militairen geplaatst. Juridische bevoegdheden werden grotendeels overgedragen aan militaire rechtbanken. Vrouwenorganisaties werden verboden. Fundamentele vrijheden zoals het recht van vergadering en drukpers werden afgeschaft. Deze maatregelen maken deel uit van een diepgaande omvorming van de Turkse staat en samenleving, zodanig dat de door de legerleiding gewenste economische ontwikkelingen gerealiseerd kunnen worden zonder dat ze daarbij gehinderd wordt door oppositionele groepen.

Achter de fagade van terrorismebestrijding vindt in Turkije een sociaal-economische en politieke machtsstrijd plaats en wordt een herstructurering van de Turkse samenleving doorgevoerd. Bij het beoordelen van de maatregelen van de militaire leiders gaan we dan ook in op de
achtergronden van de sociaal-economische en politieke crisis die Turkije beheerst en waarvoor de militairen een oplossing zoeken.

Turkije speelt een belangrijke rol in de internationale organisaties zoals de navo, de eg en de Raad van Europa, organisaties waar Nederland en België deel van uitmaken. In beide landen werken bovendien grote groepen Turkse arbeid(st)ers. Het is om deze redenen belangrijk de discussie over de beoordeling van het karakter van de militaire machtsovername en de gevolgen ervan te verbreden. Daartoe wordt in dit boek de crisis waarin Turkije zich bevindt vanuit de verschillende maatschappelijke sectoren benaderd.

In hoofdstuk i wordt de politieke geschiedenis nader geanalyseerd. Wat is het karakter van de parlementaire democratie in Turkije, en wat waren de oorzaken van het feit dat deze ontaardde in een lamgelegd parlement en in toenemende - geweldloze en gewelddadige - buitenparlementaire oppositie? In hoofdstuk z wordt de economie nader bekeken, waarbij met name aandacht wordt besteed aan de snelle sociaal-economische ontwikkelingen in de jaren vijftig en zestig, en het ontstaan van scherpe sociale tegenstellingen in de jaren zeventig die daarvan mede het gevolg waren. Ook wordt ingegaan op de invloed van de internationale economische relaties op de Turkse economie. In hoofdstuk 3 komt de vakbeweging als een van de belangrijkste maatschappelijke organisaties aan de orde. Gekeken wordt naar de ontwikkelingen die de vakbeweging deden groeien en de politieke factoren die het functioneren van arbeidersorganisaties beperkten. In hoofdstuk 4 gaat het om de vraag hoe en onder welke omstandigheden de verhoudingen tussen het Turkse leger en andere maatschappelijke sectoren zich ontwikkeld hebben. Wat is de invloed geweest van de internationale politieke en militaire ontwikkelingen op de positie van het Turkse leger en op de drie militaire staatsgrepen? Turkije neemt binnen de westerse bondgenootschappen een bijzondere plaats in als islamitisch land. De betekenis van de islam wordt geschetst in hoofdstuk 5: wat is de verhouding tussen islam enerzijds en staat en leger anderzijds, en wat zijn de achtergronden van de gewelddadige botsingen tussen de verschillende moslimse groeperingen? In hoofdstuk 6 wordt aandacht geschonken aan de door de Koerden bewoonde oostelijke provincies van Turkije. Wat zijn de achtergronden van de recente oplevingen van Koerdisch nationalisme, wat is de houding van de militairen ten opzichte van de separatistische bewegingen in deze provincies en wat is de internationale positie van deze bevolkingsgroepen in verband met de Koerdische minderheden in aangrenzende landen? In het Tot besluit plaatsen we de belangrijkste gebeurtenissen van de eerste twee jaar van de militaire machtsgreep in het totaalbeeld.

De schrijvers



I. Politieke ontwikkelingen sinds de Tweede Wereldoorlog;
parlementaire democratie en politiek geweld.
Martin van Bruinessen / Rudy Koopmans

Inleiding

De staatsgreep van iz september 1980 maakte een (tijdelijk?) einde aan Turkijes parlementair-democratische stelsel dat, afgezien van enkele onderbrekingen, toen 35 jaar gefunctioneerd had. In 1945 had Turkije, aarzelend nog, de stap gezet van een eenpartijstelsel naar een (uit het Westen geïmporteerd) meerpartijenstelsel. Ondanks ernstige meningsverschillen bleek de overgrote meerderheid van de bevolking zich bij dit meerpartijenstelsel zeer wel te bevinden.
Ook de militairen hadden tot dusver nooit geprobeerd de parlementaire democratie door een autoritairder stelsel te vervangen. De twee militaire interventies van 1960 en 1971 vormden slechts korte onderbrekingen; de wetswijzigingen die toen werden doorgevoerd, veranderden het parlementaire stelsel niet wezenlijk. Deze keer ziet het er echter niet naar uit dat de militairen zich weer zo snel in de kazernes zullen terugtrekken. Alle bestaande politieke partijen zijn inmiddels opgeheven, en niet-politieke technocraten zijn bezig een nieuw stelsel te ontwerpen dat misschien in naam nog democratisch zal zijn, maar naar alle waarschijnlijkheid weinig gelijkenis meer zal vertonen met het democratische stelsel van de laatste decennia.

De militaire maatregelen oogstten minder verzet dan men misschien zou verwachten van een volk dat zich altijd zo gepassioneerd in de parlementaire verkiezingsstrijd heeft geworpen. Dat heeft meer oorzaken dan de effectieve repressie alleen. Het vertrouwen in de parlementaire politiek en in de paar grote partijleiders die haar een gezicht gaven, was de laatste jaren ernstig geslonken. Verkiezingsbeloften werden niet ingelost. Het gedrag van politici leek steeds minder met principes, en uitsluitend nog met opportunisme en hypocrisie te maken te hebben.
Bovendien was er het politieke geweld. In alle grote steden en zelfs op het platteland vonden dagelijks gewapende botsingen plaats tussen groepen ‘linkse’ en ‘rechtse’ jongeren. Geen van de politieke partijen bleek in staat of bereid een einde aan dit geweld te maken. Diverse politici waren, zo werd algemeen aangenomen, direct betrokken bij de ...




Fondation-Institut kurde de Paris © 2019
BIBLIOTHEQUE
Informations pratiques
Informations légales
PROJET
Historique
Partenaires
LISTE
Thèmes
Auteurs
Éditeurs
Langues
Revues